Bubbeljongen.
Ooit had ik het bovenstaande nauwelijks opgemerkt. Niet dat ik toen niet keek, natuurlijk wel, maar ik zag niet.
Hele werelden passeerden voor mijn ogen, grote en kleine drama’s vonden plaats, maar ik was me er niet van bewust. In die tijd had fotografie zich nog niet geworteld in de diepste kieren van mijn lijf. Vandaag kan ik me nauwelijks herinneren hoe dat was. Zien is na al die jaren een wezenlijk onderdeel van mijn zelf geworden. Dat uitschakelen kan niet meer.
Het is de reden dat ik elke dag ontelbare foto’s neem, zonder ook maar eenmaal op het knopje te duwen. Beelden die nooit het daglicht zien. Ze bestaan enkel in mijn hoofd. Ik maak ze in de auto, op weg naar een klaslokaal vol hongerige fotografiestudenten, op wandel met de honden, of op de fiets naar de supermarkt. Het zijn spookbeelden. Licht dat nooit gefixeerd wordt op een drager. Elk gaat gepaard met een flauw gevoel van spijt. Omdat ik op dat moment de handen vol heb - met stuur, leiband of iets anders - en de camera onbereikbaar is.
Wat ik zie heeft nooit grote spektakelwaarde. Dat amateurvoetbalveldje langs de E17: in mijn hoofd werd het al honderd keer gefotografeerd. Het spectaculaire avondlicht langs diezelfde snelweg. Het platgetrapte pakje friet op straat. De honden sleuren me er met hongerige wolfgeluiden naartoe. Terwijl ik ze aan de leiband achteruit trek, blijf ik er gefascineerd naar staren. Een vuilwitte vorm die intrigerend contrasteert met het donkere asfalt.
De foto hierboven werd genomen in Nazaré, een kustdorpje even boven Lissabon. Nazaré bestaat uit twee etages: beneden waar de toeristen op het strand liggen, en boven waar de Miradouro en de Farol zich bevinden.
Die dag had ik mijn camera wel bij de hand. Ik sjokte van beneden naar boven, terwijl ik de snijdende pijn in het gewricht van mijn linker grote teen probeerde te verbijten. Moet dringend eens iets aan die verdomde hallux rigidus laten doen, zei ik tegen mezelf. En toen keek ik langs de helling naar beneden.
Drie jongetjes en een voetbal.
Eentje was net in de reusachtige plastic zak gekropen, die hij uit een vuilniscontainer had gehaald. Een container met een bijjob als doelpaal. Daar stond hij: een minikeeper in een bubbel van kunststof. “Laat maar komen”, schreeuwde hij tegen de jongen met de bal. Althans, dat denk ik. Mijn Portugees is niet zo best. Ik drukte net af op het moment dat bubbeljongen en zijn vriendjes, samen met de containers, een perfecte dubbele driehoek vormden.
Wat er daarna gebeurde was allesbehalve opzienbarend. De bal ging tegen de container/doelpaal. Bubbeljongen veroerde niet.
Tekst en foto: Geert Huysman