Daar rijdt men gans
Over hoogbejaarde duimen, een fluoblauw touw, de hel in strijklicht, twee mannen aan de deur en een galg in Berendrecht.
Het was een ongewoon stralende tweede lentedag. Terwijl de wereld vrolijk verder naar de kloten ging (maar wanneer deed-ie dat niet?), reed ik met de wagen naar Berendrecht.
Net voorbij de afrit Sint-Niklaas. Aan de andere kant van de oceaan ontwaakte de Grote Leider. Zittend op de rand van zijn bed stuurde hij, zo snel als zijn hoogbejaarde duimen zich over het scherm konden voortbewegen, het eerste ultimatum van de dag de wereld in.
Ergens waren ver-schrik-ke-lij-ke mensen. Man, je kon je niet voorstellen hoe slecht die waren. Ze zouden de gevolgen dragen van zijn gram, tenzij ze zich NU schikten naar zijn wensen.
Het zou iets zijn dat de wereld nog nooit eerder had gezien (die gram).
Ze konden dus maar beter luisteren (die slechteriken).
Tevreden ging de leider weer liggen. Naast hem, van diep tussen de zijden lakens, steeg een zacht snurkgeluid omhoog.
Ik reed naar Berendrecht en ondertussen, ergens ter hoogte van de vierendertigste breedtegraad, lag ene Awa Diarra, 23 jaar oud, al enkele uren te rillen in het water van de Middellandse Zee. Krachteloos greep ze zich vast aan het fluoblauwe touw dat rond de rand van de boot gespannen zat. Haar vingers voelde Awa al lang niet meer, maar haar rechterpols was op de een of andere manier klem geraakt in een lus. Dat, meer dan dat ze het touw vasthield, had haar leven gered.
Toen de boot kapseisde, was het geschreeuw oorverdovend geweest. Zelf had ze gekrijst tot haar stem het begaf. “Moussa! Moussa! Moussa!” Tot iemand probeerde haar handen los te rukken van het touw dat ze instinctief had beetgegrepen. Ze had zo hard ze kon om zich heen geschopt en gesparteld. Toen de man uiteindelijk losliet, had hij haar verbijsterd aangekeken. “Help me,” had hij gesmeekt. Ze keek toe terwijl hij vergeefs weer tot bij de boot probeerde te zwemmen. Maar de stroming was te sterk. “Je bent er bijna,” schreeuwde Awa, terwijl ze een arm naar hem uitstak. Even later verdween de man achter een golf. Ze zag hem niet meer terug.
Naast Awa dreef een vrouw halfbewusteloos in het water. Ze staarde omhoog. Haar onderlip trilde onophoudelijk. Telkens als ze uitademde, produceerde de vrouw een steunend geluid. Af en toe tilde ze een hand uit het water en wees naar de lucht, alsof daar iets was dat alleen zij kon zien.
Wat verderop had een jongen van een jaar of veertien zich half op de kiel van de boot weten te hijsen. Hij neuriede steeds weer dezelfde eerste strofe van een popliedje. Awa kende het ergens van, maar ze kon het maar niet plaatsen. Ze wou dat ze de kracht had om het hem te vragen.
Aan de andere kant van de boot, onzichtbaar voor Awa, herhaalde een man al uren dezelfde woorden.
“Lā ilāha illā Allāh. Lā ilāha illā Allāh.”
Eerst had hij ze geschreeuwd, daarna — eenmaal de kou en de vermoeidheid hadden toegeslagen — traag en zorgvuldig gedeclameerd. Intussen was het gebed afgezwakt tot een schor gefluister dat nog slechts af en toe boven de wind uitsteeg. De jongen, als hij niet neuriede, prevelde af en toe de woorden mee.
“Lā ilāha illā Allāh. Lā ilāha illā Allāh.”
Soms, als de golven haar wat hoger optilden, meende Awa in de verte land te zien. Een donkere vlek aan de horizon die met de boot mee op en neer leek te bewegen. Dan begon ze opnieuw te schreeuwen.
“Moussa! Moussa! Ben je hier nog?”
Maar Moussa, haar tweelingbroer, die haar had meegesleurd in dit avontuur, antwoordde niet.
Ik reed naar Berendrecht terwijl in het Midden-Oosten een fotograaf staarde naar de restanten van wat ooit een gezellig straatje was. Daar, op de hoek bij Mo’s, was het vroeger lekker ontbijten, herinnerde hij zich. Maar die tijd was voorbij. Mo zat nu ergens aan de andere kant van de stad in een luizig tentenkamp. Zijn drie kinderen dood en begraven.
De fotograaf tilde zijn camera op, geïntrigeerd door een wankel stukje muur dat aan beide zijden overeind leek te worden gehouden door een donkere schaduw. “Vreemd,” zei hij luidop tegen zichzelf, “zo mooi is de hel dus in strijklicht.”
Nu pas zag de fotograaf dat er nog iets aan het muurtje hing. Een verbleekte kleurenfoto, vastgeprikt met drie duimspijkers. Eén rode en twee gele. De losse hoek van de print flapperde heen en weer in de warme wind. Op de foto stond een jonge vrouw. Ze lachte en wuifde naar de camera. Haar hand een zachte veeg door de te trage sluitertijd.
Was het niet hier ergens, vroeg de fotograaf zich af, dat reddingswerkers vorige week een vrouwenhand van onder het puin haalden? Wie weet was het haar hand. Brutaal afgerukt door een explosie, maar op de foto wuifde de hand nog steeds, voorgoed haar vrolijkheid over het frame uitsmerend.
Ik reed naar Berendrecht, geen file aan de Kennedytunnel dit keer. Op datzelfde moment rinkelde in een buitenwijk van Kyiv een deurbel. “Wie kan dat zijn?” dacht Tetiana. Ze tilde zichzelf moeizaam uit de sofa op en hobbelde de gang in. De bel ging opnieuw. “Ja, ja,” mopperde ze. “Heeft je moeder je geen geduld geleerd? Hoogzwangere vrouw hier!”
Door het glas van de deur zag ze twee donkere figuren. “Zo, wat kan ik voor jullie doen?” zei ze terwijl ze de voordeur opentrok. De twee mannen op de stoep droegen een militair uniform. De ene was lang en slungelig, de andere klein en bonkig. “Net een komisch duo,” dacht Tetiana. “En ho, wat kijken ze ernstig!” Beide mannen begonnen tegelijk te spreken, onderbraken zichzelf en keken elkaar geschrokken aan. Tetiana kon een glimlach niet onderdrukken. Doe jij maar, signaleerde de lange naar zijn collega. De kleine soldaat knikte. “Bent u mevrouw Kovalenko?” vroeg hij. “Echtgenote van Andrij Kovalenko?” De lange kon net snel genoeg naar voren stappen om Tetiana op te vangen.
Ik kwam aan in Berendrecht, diep in de Antwerpse polders, waar mannen te paard een hele middag lang onder een galg door galoppeerden. Aan de galg was een dode gans opgehangen. Wie het eerst de kop van de gans eraf kon trekken, mocht zich voor dit jaar keizer van het gansrijden (1) noemen.
Berendrecht, maart 2026
Tekst & foto: Geert Huysman
Voetnoot
(1) Gansrijden is een eeuwenoud volksspel uit de Antwerpse polderdorpen, met wortels in de vroegere kwelspelen. Ruiters galopperen om beurten onder een galg waaraan een gans ondersteboven hangt en proberen de kop van het dier af te trekken. Oorspronkelijk gebeurde dat met een levende gans; tegenwoordig wordt het dier vooraf door een dierenarts geëuthanaseerd. Wie de kop trekt, wordt voor een jaar koning van zijn vereniging. Tijdens het keizerrijden nemen de koningen van de verschillende polderdorpen het tegen elkaar op om de titel van keizer van de polder. De traditie blijft omstreden. De Antwerpse dienst Dierenwelzijn adviseert negatief omdat daarbij een dood dier als amusementsobject wordt gebruikt; de stad legt ook voorwaarden op voor de verzorging en het welzijn van de paarden.
Disclaimer
Awa Diarra, Tetiana Kovalenko en de fotograaf in het Midden-Oosten zijn samengestelde figuren, gebaseerd op patronen uit berichtgeving over migratie, oorlog en verlies. Namen zijn fictief.
Slenterzucht brengt verhalen, essays en fotografie over plaats, landschap en onderweg zijn.
Verder lezen:
Nieuwsbrief
Nieuwe verhalen, essays en nieuws uit het atelier rechtstreeks in je inbox.