Elefantiasis. Notities uit New York

Over het bruine drankhol uit mijn jeugd, oordopjes, en de jammerlijke teloorgang van een zwevend oerwoud.

 
 

New York (2025)

 
 

New York voelt vreemd vertrouwd aan. Een beetje als Antwerpen, voor zover dat kan als je van de andere kant van de Schelde komt. De cultuurschok is verwarrend klein. Ik voel walging noch verwondering. Het is gewoon een stad — met elefantiasis, er komt geen einde aan.

In Orchard Street krijg ik een rondleiding in het Tenement Museum. In de kelders bevindt zich een replica van Schneider’s Lager Beer Saloon, een café dat hier in de tweede helft van de 19de eeuw werd uitgebaat door Duitse immigranten. De ruimte ademt dezelfde keuterboerenkneuterigheid die ik nog ken van de volkscafés uit mijn jeugd. Ik kan ze bijna horen, de halfdronken mannen die hier, in wat toen Kleindeutschland werd genoemd, in een mengelmoes van Engels en Duits tegen elkaar stonden te schreeuwen. “Come Mathilda, setzen Sie Sich noch einmal on my lap!” 

De ruimte doet me onwillekeurig denken aan café Tamara, het bruine drankhol naast mijn ouderlijke huis. Als kind lag ik ‘s avonds in mijn bed vaak te luisteren naar het broederlijke gezang dat door de altijd openstaande voordeur naar buiten waaide. Het eeuwige door de jukebox aangevuurde:  Eviva España en, in de late uurtjes, nadat de oude jongedochter die het bier schonk de stekker eruit had getrokken: En als we dood zijn, groeit er gras op onze buik…”

New York (2025)

Ik loop van Orchard Street naar de High Line zonder van de ene verbazing in de andere te vallen. Ik waan me bijwijlen in Parijs, druk en smerig, het decibelgehalte hoger dan mijn Vlaamse oren gewoon zijn. Tegelijk voelt de stad ook Zuid-Europeser aan dan ik had verwacht, boordevol geuren en texturen, geschilderd in geriatrisch-bruine tinten. Op de begane grond lijkt alles oud en afgebladderd, alleen de wolkenkrabbers vinden een ontsnappingsroute naar kleur en licht. 

Ik stap een kleine pharmacy binnen op zoek naar oordopjes. De vorige nacht lag ik urenlang wakker. Als er één ding is waarop je vergif kunt innemen, dan is het wel dat ik altijd die ene hotelkamer krijg die naast een luidruchtige afzuiginstallatie ligt. Hotelwerknemers — een kwaadaardig ras, ik verzeker het je — zien het gewoon aan mijn gezicht: Die durft daar toch niet over te klagen. 

Vooraan in de winkel staat de apotheker van achter haar verhoogde toog in rad Spaans te praten met een kromgebogen, bejaard dametje. Het gaat over het weer, zoveel meen ik nog wel te verstaan, en dat het fucking koud is vandaag. De oude vrouw, klein en vinnig, leunt op een oude wandelstok, zo kort dat hij welhaast voor haar postuur moet zijn gemaakt. Ze goochelt met graden Fahrenheit, die bizarre temperatuurgrammatica waaraan wij Celsiusdenkers kop noch staart krijgen. 

Maar dat het koud is kunnen mijn verkleumde vingers bevestigen. 

“Zet het maar op mijn rekening”, zegt het dametje tot slot, dit keer in het Engels. De apotheker knikt vriendelijk en begeleidt haar tot aan de deur. Er is hoop voor de mensheid als je in een stad als New York nog steeds dingen op de pof kunt kopen. 

Ik vind mijn oordopjes tussen de pleisters en iets tegen de likdoorns. Ik betaal anderhalve dollar voor 30 stuks. Ze zijn shit, maar wat had ik anders verwacht voor die prijs? De volgende nacht doe ik alweer geen oog dicht. 

Ik loop door de ene straat na de andere, zonder veel op te merken. Slaaptekort en jetlag, ze doen wat met je mentale scherpte. Voor ik het besef heb ik alweer Chinatown doorkruist. Letterlijk niets van gezien. Om mezelf wat op te peppen vooraleer ik de High Line bereik drink ik een koffie in een hip zaakje. De dominante kleur is er geel. Het personeel draagt een (in mijn ogen) gek petje. 

New York (2025)

Ik wilde de High Line vooral bezoeken omdat ik destijds zeer gecharmeerd was door Joel Sternfelds boek (Walking the High Line - 2002). In zijn beelden is de in onbruik geraakte verhoogde spoorlijn verworden tot een soort zwevend oerwoud, een smalle strook ongetemd groen die zich vanaf Gansevoort Street tot de Hudson Yards doorheen de betonnen jungle slingert. 

Van die bizarre lineaire braakland-biotoop blijft vandaag niets meer over. De High Line is nu een strak gecureerd stadspark waar jaarlijks tienduizenden toeristen een wandelingetje over maken, een nette promenade voor de kijk-ik-ben-er-geweest selfiegeneratie. Zelfs de ‘spontane vegetatie’ geeft de indruk dat ze vooraf is goedgekeurd door een planningscommissie. 

Ik wandel er overheen, eerder teleurgesteld in mijn eigen naïviteit dan wat anders. Natuurlijk werd de High Line omgetoverd tot een platte tourist trap. Hoe had ik zelfs maar kunnen denken dat deze unieke plek onaangetast zou blijven?

In plaats van om me heen begin ik dan maar omhoog te kijken. Als de benedenverdieping je niet bevalt kan je in New York nog altijd naar boven kijken, en genieten van het spelletje verstoppertje dat de wolkenkrabbers spelen met licht en schaduw. Daar, hogerop, lijkt de stad nog compromisloos zichzelf: hoekig, hard en onverschillig. Tussen de spiegelende gevels vind ik alsnog wat ik zocht: een zwevende stilte en het kortstondige gevoel alleen te zijn in de wriemelende massa’s. 




Tekst & Foto’s: Geert Huysman

Eerder verschenen
in de Slenterzucht Nieuwsbrief

Volgende
Volgende

Toedeloe. Notities uit Antwerpen