Met natte voeten naar de Muur
Over bedenkelijke Britse eetgewoonten, een tocht naar de Muur van Hadrianus die uitmondt in een modderig gevecht met de elementen en een boer die worstelt met horizontaliteit.
Vanaf Newcastle-upon-Tyne ben je via de A69 in een wip in Haltwhistle, een gezellig maar verder nietszeggend marktplaatsje. Haltwhistle is enkel om twee redenen het vermelden waard: het ligt net onder een van de mooiste stukjes van de Muur van Hadrianus en bevindt zich precies in het midden van Groot-Brittannië – een cartografisch huzarenstukje dat ergens in de jaren negentig van de vorige eeuw aan het licht werd gebracht door een plaatselijke horeca-uitbater. Waarna de zelfverklaarde amateur-centrograaf zijn zaak (voorheen de Red Lion) omdoopte tot het Centre of Britain-hotel. (1) Een geografische triomf van dergelijk formaat laat een kleine zelfstandige niet onbenut.
Zelf minder centristisch van inborst heb ik ergens anders geboekt. Mijn kamer in het Manor House ligt recht tegenover de plaatselijke fish-and-chips-zaak. Met iets dat het midden houdt tussen onbegrip en een licht gevoel van misselijkheid zie ik de hele avond locals af en aan lopen voor een portie oer-Britse vettigheid.
Nu ben ik zelf niet vies van een occasionele vette hap - als rechtgeaarde Belg zeg ik zelden neen tegen een kleintje met americainsaus en een frikandel. Maar een chippy is geen frietkot. En chips - heilige eetcultuur voor de doorsnee Brit - zijn allesbehalve frieten. Het zijn grove klompen aardappel, eerder gekookt in olie dan gefrituurd. Elke gelijkenis met de dubbel gebakken verfijning van een krokante Belgische friet berust louter op toeval. Doe bij een portie chips de traditionele scheut azijn en een kwak mushy peas en wat je krijgt is een zompige, warme aardappelsalade, die je tijdens een interculturele culinaire ontmoeting misschien nog net kunt serveren met de inhoud van een blik Zweedse surströmming. (2)
Ik dineer die avond uitstekend in het hotel.
Vroeg de volgende ochtend parkeer ik de wagen op het Steel Rigg Car Park. Op het programma staat een 12 kilometer lange circulaire hike die me zal leiden voorbij Hotbank Farm en Cragh Lough om vervolgenst terug te keren via het bekende Hadrian’s Wall Path.
De Muur van Hadrianus werd tussen 122 en 128 na Christus gebouwd in opdracht van de gelijknamige keizer om de noordelijke grens van het Romeinse Rijk te beschermen. Het 117 km lange bouwwerk loopt van de Ierse Zee (bij Bowness-on-Solway) tot de Noordzee (bij Wallsend). Vandaag is de muur soms niet meer te onderscheiden van een ordinair schapenmuurtje. In de loop der eeuwen werden veel stenen geroofd en hergebruikt voor de bouw van kerken, boerderijen en andere gebouwen. Grote delen van de muur zijn gewoon verdwenen, maar hier bij Crag Lough staat hij nog in al zijn (geërodeerde) glorie. En de landschappen waarover hij zich slingert blijven indrukwekkend.
Net voor ik vertrek, houdt een Hollands koppel me tegen. Of ik soms weet waar the tree that isn’t there anymore precies staat? “Die is vlakbij”, zeg ik. “De andere richting uit.”
Hoewel ik in het Nederlands antwoord, blijven ze koppig Engels praten. “I wish we were as well prepared as you", zegt de vrouw, wijzend naar mijn regenjas en -broek. "It looks like it's going to pour soon."
“U kunt gerust Nederlands praten, hoor”, zeg ik. “Ik ben Vlaming.” Ze lijkt het niet op te merken. “Have a nice walk”, zegt ze terwijl ze zich omdraait.
De boom die er niet meer is, is de beroemde Sycamore Gap Tree (3), een van de meest gefotografeerde bomen van Engeland. Hij stond eenzaam tussen twee heuvels langs de Muur van Hadrianus, tot twee vandalen in september 2023 besloten hem om te hakken. Een wandaad die Groot-Brittannië dieper traumatiseerde dan de Brexit.
Ik volg het public footpath langs ruige crags (4) en glooiende velden. Donkere wolken pakken zich samen. Al snel vallen de eerste druppels. Via een stile - een soort trapje - klim ikover een van de veemuren die hier kriskras door het landschap lopen. Aan de andere kant bots ik op de boer van Hotbank Farm. (5) Met liefdevolle aandacht legt hij enkele van het muurtje gegleden stenen terug op hun plaats.
Hij ziet eruit zoals een boer er hoort uit te zien: kort, gespierd, met staalblauwe ogen in een door wind en regen gesculpteerde karakterkop. Hij legt me uit hoe ik moet lopen: links om de boerderij heen, en dan het pad blijven volgen tot aan de Muur (met hoofdletter, want die van H.).
We praten over het glooiende landschap waarin hij woont en werkt. Geen enkele Britse boer heeft een mooier uitzicht, zeg ik.
Nabij Steel Rigg © Geert Huysman
Hij glimlacht. Hij draagt enkel een wollen vest, maar de regen die intussen met bakken uit de lucht valt, lijkt hem niet te deren. “Het is plat waar jullie vandaan komen, niet?”
“Platter dan hier,” zeg ik. Hij knikt meelevend.
Hij vertelt over vroeger, over toen hij nog jong en knap was. Een verdienstelijk worstelaar ook. Hij vocht vaak wedstrijden op het Europese vasteland. Van Nederland kreeg hij de kriebels, zegt hij. Langer dan een paar dagen hield hij daar niet vol. Zijn interne bedrading liep altijd al langs de heuvels en kliffen om ons heen. Van al die horizontaliteit raakten zijn hersens in de knoop.
Ik probeer me hem voor te stellen in zo’n ouderwetse worstelsinglet, terwijl hij een Hollander op de mat neerkwakt. In de brede borstkas huilt intussen het hart, overspoeld door heimwee naar zijn schapen en de ruige heuvels waarop ze grazen.
Hij wijst naar de horizon. Een stompe vinger blijft hangen boven de plek waar in de verte de Muur plots de diepte induikt. “Daar is Sycamore Gap”, zegt hij. “Waar de boom stond.”
Twee mannen werden aangehouden voor de vandalenstreek. Wekenlang waren ze volksvijand nummer 1 in de Britse media. Ik peil naar hun beweegredenen. Hij haalt onverschillig de schouders op. “Just silliness really.” Een dronken jongensstreek, meer niet.
Een boer, zelfs al woont hij op een van de mooiste plekjes van Engeland, heeft wel wat anders om van wakker te liggen. Hoe in godsnaam de touwtjes aan elkaar te knopen bijvoorbeeld. Landbouwers hebben hier dezelfde zorgen als op het vasteland.
Het zomerse regenbuitje zwelt langzaam aan tot een stevige storm. Wat eerst niet meer was dan een paar glinsterende druppels op een grasspriet, groeit aan tot een dun stroompje dat zich steeds sneller, langs groeven en sporen, een weg naar beneden zoekt. Het pad, dat in een wijde boog om de boerderij heen loopt, wordt met de minuut modderiger. De bodem zuigt zich met toenemende gretigheid vast aan mijn wandelschoenen. Stappen ontaardt in lomp geploeter. Schapen staren me meewarig aan. Weer een toerist die zich een hiker waant. Het weer laat hen onverschillig. Ze staan roerloos in het verzopen landschap, hun dikke vacht druipend van water en vuil. Voortgestuwd door de wind vreet de regen zich langzaam een weg door mijn kleren. Een koude stroom loopt langs mijn nek en ruggengraat recht mijn onderbroek in.
Doorweekt en onderkoeld bereik ik twee uur later eindelijk de Muur. De rukwinden zijn intussen zo hevig dat ik me nauwelijks nog overeind kan houden. Het hoge gras op de heuvels heeft een eigen soort golfslag, heen en weer deinend op het ritme van de aanzwellende windstoten.
Het plan was om de Muur te volgen tot aan Steel Rigg, mijn vertrekpunt. Maar bij de eerste afdaling besluit ik dat ik het heb gehad. Een stel joggers haalt me in en duikt met ware doodsverachting langs het brokkelige pad de steile heuvel af. Gedeprimeerd blijf ik hen nastaren. Ben ik dan echt zo oud? Een paar minuten later zijn ze er alweer terug. “Niet te doen met die tegenwind”, schreeuwt een van hen me schouderophalend toe.
Opgelucht geef ik ze een bemoedigend duimpje. Terwijl de rukwinden nog toenemen, fotografeer ik de Muur. Al snel is mijn camera zo doorweekt dat de autofocus van mijn 50 mm (tijdelijk) de geest geeft. Gebeurt wel vaker.
Ik besluit terug te keren langs het lager gelegen pad dat me naar hier heeft gebracht. In de verte lopen de joggers. Lotgenoten die, net als ik, wijselijk op hun stappen zijn teruggekeerd. Ik voel niets dan warme sympathie voor die twee. De rugwind geeft ze vleugels.
Ik buig me voorover, en begin te ploeteren tegen de wind in. Water klotst in mijn schoenen. De regen geselt mijn gezicht en snijdt me de adem af. Pas ter hoogte van het muurtje, waar ik de boer sprak, gaat de storm plots weer liggen.
Enkele van de stenen die hij terug legde, liggen intussen weer op de grond.
Het werk van een boer is nooit af.
Tekst en foto’s: Geert Huysman
Slenterzucht is een platform voor verhalen, essays en fotografie over plaats, landschap en onderweg zijn.
Verder lezen:
Nieuwe verhalen verschijnen ook via de nieuwsbrief.