Schaduwland. Notities uit het Lake District
Over angstaanjagende fells, met zorg gevouwen wc-papier, een groots leugenaar en de pijnlijke kont van Samuel Taylor Coleridge.
Een goed geïnformeerde reiziger zal niet verbaasd opkijken als hij in het Lake District zo nu en dan een meer ziet opduiken. Er zijn bijzonder grote — met poëtische namen als Windermere, Ullswater en Derwentwater — en ontelbare kleinere, door de locals tarns genoemd. Over deze meren kan ik kort zijn: ze zijn alles wat men ervan verwacht, zeker bij het ochtendgloren als een dunne laag mist er overheen zweeft en een eerste zonnestraal schuchter over het kabbelende water strijkt.
Naar mijn mening — onbescheiden als ze is — reist men evenwel niet naar het schilderachtige Cumbria om een plas te zien. Vijvers en meren vindt men overal waar het bij tijd en wijle regent (en dat doet het hier vaak). Ze zijn prima voor dagjesmensen die aan deze of gene oever graag een dekentje spreiden, hun eigen — meestal aangeklede versie— van Le déjeuner sur l’herbe houden en een frisbee heen en weer gooien. De ware schoonheid van het Lake District schuilt echter niet in haar waters, meres en tarns, maar in haar mager begroeide heuvels en bergen.
Indrukwekkend zijn ze, en angstaanjagend. Stilzwijgende reuzen die zich met brute kracht uit de bodem hebben losgerukt, om daarna voor eeuwig in slaap te vallen terwijl fluisterend zonlicht — slechts af en toe tussen de wolken doorbrekend — nieuwsgierig hun flanken afschuimt. Dreigend en overweldigend, met schaduwen zo zwart als inkt, liggen ze naast de meren waaraan de regio zijn naam dankt. De romantische dichter-filosoof Samuel Taylor Coleridge, tot tranen toe geroerd door dit onherbergzame landschap, schreef dat licht en duisternis er naast elkaar bestaan in aaneengesloten massa’s, en dat aarde en hemel er één geheel lijken. ¹
Derwentwater, Keswick (2024)
KLANKEN VAN WIND EN STEEN
“Wij noemen ze fells”, zegt P., bij wie ik in Keswick een kamer huur, wijzend naar de heuvels om ons heen. Hij is zelf een inwijkeling – met roots in het zuiden van Engeland – maar na al die jaren kan hij de namen feilloos opdreunen: Catbells, Walla Cragg, Causey Pike, Grisedale Pike, Latrigg, Great Calva… “But they’re just hills”, zegt hij. Het zijn gewoon heuvels.
Brits understatement. Wie er eenmaal heeft rondgewaard, beseft dat een fell nooit zomaar een heuvel kan zijn.
Het woord heeft Oudnoorse roots. De Vikingen die zich hier in de 9de en 10de eeuw vestigden, goten wat ze zagen in klanken van wind en steen: fell (van fjall) betekent simpelweg berg); beck (van bekkr) is een beek of stroom; dale (van dalr) betekent vallei. Hun taal laat tot op de dag van vandaag diepe sporen na in het landschap.
P. was in een vorig leven commercieel fotograaf. Sinds zijn verhuis naar het noorden richt hij zijn camera vooral op de landschappen van het Lake District. Het hele huis hangt vol met zijn beelden. Strakke composities die barsten van het licht, met dezelfde zorg en precisie afgewerkt als waarmee hij iedere ochtend weer het eerste velletje van mijn wc-rol omvouwt tot een driehoekje. Hij geniet met volle teugen van zijn nieuwe leven. Alleen zijn moeder is minder enthousiast. “It rains all the time here”, klaagt ze.
Maar dat was gewoon die keer dat ze een weekje op bezoek kwam, stelt P. me gerust.
Op zijn aanraden rijd ik naar Buttermere, een van de ‘verborgen parels’ in het Lake District (tourist speak voor: binnenkort te mijden, want onleefbaar druk). Maar vandaag nog net niet. De grote meute heeft voorlopig andere dingen te doen.
De route naar Buttermere is adembenemd. Vaak ook letterlijk. De weg, smal en duizelingwekkend steil, slingert zich als een losse veter doorheen een landschap van bultige heuvelruggen en hoekige rotswanden.
Bovenaan Newlands Pass parkeer ik de wagen om het landschap onder me te fotograferen. De stilte wordt enkel doorbroken door het schuchtere geblaat van een schaap, de gierende motor van een wagen die met tegenzin de helling op kruipt, en klaterend water.
Zonder het te beseffen sta ik naast Moss Force, de waterval die in 1802 zo’n indruk maakte op Samuel Taylor Coleridge. Hij was hier in de maand september, toen ze in volle vloed stond na zware regen: “Wat een gezicht is het, om neer te kijken op zo’n cataract!”, schreef hij aan Sara Hutchinson. ² “De kolken die er wentelen — het opspringen en neerstorten van ontelbare parels en glazen bollen — de voortdurende verandering van de materie, de eeuwige herhaling van de vorm — het is een huiveringwekkend beeld, een schaduw van God en de wereld.”
Niet zo vandaag. Midden in de zomer is Moss Force gereduceerd tot een kabbelend beekje, en God is zo vriendelijk zijn schaduw elders te werpen.
Nabij Moss Force (2024)
ZWELGEND, DRUIPEND GROEN
Er zijn slechts twee kleuren die er echt toe doen hier in het Lake District. Er is grijs — van natte lucht, verweerde rots en nevel die als uitgeademde tijd over het landschap sleept.
En er is groen.
Niet het opgewekte, frisse, dartele groen van de lente, maar een dieper, zwijgzamer groen dat elk geluid opzuigt in kussens van mos en langs de heuvels naar beneden druipt, alsof het door een waanzinnige schilder werd uitgekiept. Woekerend chlorofyl is het; het kruipt over stenen, slikt in muurtjes en glibbert over paden. Alles wat niet beweegt bezwijkt eronder, behalve daar waar een nukkige naakte rots — doorheen een tonsuur van varens en bosbessen — zijn kruin aan de hemel presenteert. ³
Ik daal af naar Buttermere. Het dorp zelf, onooglijk klein, lijkt weinig voor te stellen. Het meer, zoals een kordate buurvrouw me aan de ontbijttafel meedeelde, is quite lovely. Punt. Tegenspraak niet geduld.
Ik wandel er rond, omdat men dat nu eenmaal doet als men hier is. Waarom is me niet geheel duidelijk. Misschien omdat rechtlijnigheid en vooruitgang niet de natuurlijke staat van de menselijke geest zijn. We circumambuleren ⁴ in de hoop iets van onszelf terug te vinden in deze warrige tijden, soms ook om het goddelijke te ontdekken in een cirkel waarvan het centrum overal is en de omtrek nergens. ⁵
Of misschien wandelen we gewoon graag rondjes omdat het makkelijker is: altijd prettig om terug uit te komen op de plek waar je de wagen hebt geparkeerd.
Buttermere (2024)
NAAR WAST WATER
De volgende dag rijd ik dieper het Lake District in, weg van de door toeristen overspoelde meren en de groezelige mini-golfterreinen — still a thing hier in de streek. Al snel degraderen de fells tot heuvels van dertien per dozijn, nog steeds groen maar eerder het soort banale bulten waar de doorsnee Teletubbie graag op rond buitelt.
Een afslag naar links en dan ineens herpakt het landschap zich. Wegen worden opnieuw smaller, hellingen steiler, wolken donkerder en dreigender. Dit zijn de Western Fells, thuis van enkele van de meest ruwe, ongenaakbare landschappen in de regio. Hier vind je enkel steen, water en mist, en de mogelijkheid tot verdwalen.
Mijn bestemming is Wasdale Head, een gehucht geprangd tussen de bergen Scafell en Scafell Pike, en het sombere Wast Water — een meer met water zo donker dat het bijna zwart lijkt. Het dorp zelf bestaat uit weinig meer dan de oude Wasdale Head Inn, een minuscuul parochiekerkje en een paar tegen de wind aangebouwde boerderijen.
Dit is een plek van superlatieven. Scafell Pike is de hoogste berg van Engeland (978 meter) — zijn tweeling Scafell slechts 14 meter zijn onderdaan; de uit de 12de eeuw daterende St. Olaf’s church is waarschijnlijk de kleinste parochiekerk van Engeland; en Wast Water is met 79 meter officieel het diepste meer in het land.
De oostelijke oever van Wast Water wordt gedomineerd door de Wasdale Screes: enorme schuivende puinhellingen van losse stenen en brokken leisteen die vanaf de toppen van de fells Whin Rigg en Illgill Head bijna loodrecht naar beneden vallen in het water.
Wast Water (2024)
Het meer maakte grote indruk op William Wordsworth. “Wast Water is wellicht, in zijn geheel beschouwd, het meest sublieme schouwspel van het district,” schreef hij in zijn Guide Through the District of the Lakes. “De weidsheid van de vlakke bodem der vallei – de rijzende majesteit der bergen – de stilte en verlatenheid van het meer – zij verenigen zich tot een aanblik van waardigheid, ja zelfs van strengheid.” ⁶
Wordsworth gebruikte de term ‘subliem’ niet in de hedendaagse, sterk afgezwakte betekenis. Het woord was in die dagen geen lovend adjectief voor pakweg een geslaagde risotto, maar een filosofisch beladen begrip dat verwijst naar een ervaring van ontzag, ontregeling en geestelijke verheffing. In de achttiende-eeuwse esthetica, onder meer verwoord door de filosoof Edmund Burke in zijn A Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful(1757), werd het sublieme begrepen als datgene wat ons verstand tart: het onmetelijke, het woeste, het duistere — angstaanjagende natuurkrachten die ons niet alleen klein doen voelen, maar ook ontvankelijk maken voor iets groters dan wijzelf.
Staand aan de oevers van Wast Water, een koude wind snijdend door mijn jas, begrijp ik precies wat Wordsworth twee eeuwen eerder bedoelde. Woorden als mooi en prachtig schieten te kort om deze plek te beschrijven. Daarvoor is ze te bedreigend, doet ze het hart te snel slaan. Wat ik voel kan ik alleen maar omschrijven als rauw ontzag, het ongemakkelijke besef — vaag, maar het is er — dat een leven hier nauwelijks van tel is, dat deze bergen misschien te beklimmen zijn, maar nooit te overwinnen.
Wordsworths vriend Coleridge beleefde hier in 1802 de schrik van zijn leven. Tijdens een overmoedige solotocht over Scafell raakte hij in de mist van het pad af en belandde op een steile rotswand zonder zichtbare uitweg naar boven of beneden. Minutenlang lag hij op zijn rug, te bang om te bewegen: “De helling van de rots was zo steil, en de afgrond zo huiveringwekkend — huiveringwekkend op een manier die alle verbeelding te boven gaat.”
Radeloos van angst liet Coleridge zich tenslotte op zijn achterwerk naar beneden glijden, centimeter voor centimeter, biddend dat de natte rotsen zijn val niet zouden versnellen. Na wat aanvoelde als een eeuwigheid, en met een pijnlijke kont, bereikte de uitgeputte schrijver ten slotte veiliger terrein. De ervaring liet diepe sporen bij hem na.
Wasdale Head (2024)
KOFFIE EN EEN LEUGEN
Ik bestel een koffie in de Wasdale Head Inn. Het is er zo donker dat je nauwelijks ziet dat de tijd er is blijven stilstaan. Aan de muur hangen verbleekte zwart-witfoto’s van legendarische bergbeklimmers op de toppen van Scafell of Scafell Pike. Door weer en wind geharde kerels, met walrussnorren en een oogopslag van staal.
“Wat voor koffie moet dat zijn”, vraagt de publican. “Een gewone”, zeg ik ervan uitgaande dat iedereen dan weet dat ik koffie zwart bedoel. Gewoon is hier echter met een scheutje melk. Ik drink zonder morren mijn kopje leeg.
Nog zo’n superlatief: de Wasdale Head Inn — toen nog de Huntsman’s Inn — was ooit eigendom van de zelfverklaarde grootste leugenaar van Groot-Brittannië. Will Ritson⁷ stond wijd en zijd bekend om zijn sterke verhalen. Londenaars kwamen er speciaal voor naar Wasdale Head. “Ach zo, u wilt de grootste leugen ooit horen?” (tegen een toerist die hardnekkig bleef zeuren om een staaltje van zijn kunnen) “Wel, meneer, u bent zonder twijfel de knapste vent die hier ooit over de vloer is gekomen.”
Ter ere van Ritson wordt tot op de dag van vandaag in november de World’s Biggest Liar Competition gehouden. Politici en advocaten zijn uitgesloten, wegens overgekwalificeerd. Bisschoppen mogen wel meedoen. Eentje won de competitie met de kortste speech ooit: “Ik heb nog nooit in mijn leven een leugen verteld.”
Ik bestel nog een koffie, zwart dit keer, en sla een praatje met een oudere man met een visserspetje. Hij vraagt of ik het watervalletje in de buurt heb gezien. Dat heb ik niet. Geen probleem, zegt hij. Hij heeft er foto’s van genomen. Samen kijken we naar de beelden op het schermpje van zijn oude, gehavende spiegelreflex. De meeste zijn onscherp en overbelicht.
“Oei, die zijn niet zo goed gelukt”, zegt hij teleurgesteld.
“Don’t be silly”, zeg ik. “These are gorgeous.”
De oude Will zou trots op me zijn geweest.
Tekst & foto’s: Geert Huysman
Wasdale Head (2024)
Het sublieme volgens Edmund Burke
Derwentwater (2024)
Lang voor selfies op bergtoppen en Instagramwaardige zonsondergangen, probeerden filosofen te begrijpen waarom bepaalde landschappen ons diep raken. Eén van de eersten die hierover nadacht was de Ierse denker Edmund Burke, die in 1757 een invloedrijk boek schreef: A Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful. Daarin maakt hij een scherp onderscheid tussen twee soorten esthetische ervaring: het mooie (beautiful) en het sublieme(sublime).
Het mooie is harmonieus, prettig, klein van schaal — een bloem, een vriendelijk gezicht, een vredig landschap. Het sublieme daarentegen is groot, dreigend, oneindig. Denk aan een klifrand in de storm, een bergketen die verdwijnt in de wolken, een onheilspellend stil meer. Zulke beelden roepen angst of ontzag op, maar vanuit een veilige afstand, en precies daardoor ervaren we ze als verheven. Volgens Burke werkt het sublieme niet op onze smaak of ons verstand, maar op ons gevoel van kleinheid tegenover iets dat ons overstijgt.
Burkes ideeën zouden diep doordringen in de kunst en literatuur van de Romantiek, van de schilderijen van Turner tot de poëzie van Wordsworth en Shelley. Tot op vandaag leven zijn inzichten voort — in de manier waarop we over landschappen spreken, in onze fascinatie voor natuurgeweld, en zelfs in hedendaagse discussies over klimaat, technologie en het ‘overweldigende’.
Een treffend voorbeeld van het sublieme in de kunst is “Der Wanderer über dem Nebelmeer” (De wandelaar boven de nevelzee, 1818) van de Duitse schilder Caspar David Friedrich. We zien een man op een rotspunt, rug naar de kijker, turend over een woest, mistig landschap waarin bergen als schimmen opdoemen. Het is een beeld vol tegenstellingen: de rust van de figuur tegenover de onstuimigheid van de natuur, de verheffing van het uitzicht tegenover de onzekerheid van wat zich onder hem bevindt. De wandelaar is niet meester over het landschap, maar staat er sprakeloos voor — een perfecte visuele echo van Burkes idee dat het sublieme ons niet behaagt, maar overweldigt.
Voetnoten
-
Althans op de dag die hij beschreef: “A day when light and darkness coexisted in contiguous masses, and the earth and sky were but one. Nature lived for us in all her wildest accidents.”
Samuel Taylor Coleridge was een sleutelfiguur in de Engelse Romantiek. Hij zag in de natuur geen decor maar een morele en spirituele kracht — wild, verheffend, soms beangstigend. Voor hem was het landschap geen uitzicht, maar een innerlijke ervaring.
-
De schoonzus van dichter William Wordsworth op wie Coleridge smoorverliefd was.
-
Uit “Eskdale Granite” van Norman Nicholson.
Above the collar of crags
The granite pate breaks bare to the sky
Through a tonsure of bracken and bilberry.Eskdale, een vallei (dale) in het westen van het Engelse Lake District, wordt gekenmerkt door zijn ruige schoonheid. Norman Nicholson (1914–1987) groeide op in Millom, niet ver van Eskdale, en was sterk verbonden met de landschappen en gemeenschappen van West-Cumbria. In “Eskdale Granite” beschrijft hij zowel de fysieke hardheid van het gesteente als de symbolische kracht ervan: het graniet staat voor standvastigheid, taaiheid en het onverzettelijke karakter van de mensen en het landschap.
-
Circumambuleren (Latijn: circum = rond, ambulare = wandelen) is het rituele rondlopen omheen een heilige plaats of object. In boeddhistische, hindoeïstische en christelijke tradities symboliseert deze beweging respect en spirituele toewijding.
-
Een beeld dat teruggaat op middeleeuwse mystiek en alchemie, vaak aangehaald door Carl Gustav Jung in zijn werk over het Zelf. In Herinneringen, dromen, gedachten beschrijft Jung hoe de cirkel en de mandala symbool staan voor de totaliteit van de ziel: een ongrijpbare eenheid waarin wereld en geest elkaar vinden.
-
“Wast Water is perhaps, upon the whole, the most sublime scene in the district. The amplitude of the level bottom of the vale—the towering height of the mountains—the stillness and solitude of the lake—combine to impress a character of dignity and even of severity.”
William Wordsworth, A Guide through the District of the Lakes, 1835 editie.
-
Will Ritson (1808–1890) was herbergier van de Huntsman’s Inn in Wasdale Head, een afgelegen gehucht in het ruige westen van het Lake District. Zijn beruchte leugens — over onder meer een vos met vleugels en een reus die zijn schapen leerde dansen — trokken bezoekers uit het hele land.
Hoewel hij zelf niets te maken had met The Bridge Inn in Santon Bridge, wordt daar sinds 1974 de jaarlijkse World’s Biggest Liar Competition gehouden ter ere van zijn onnavolgbare vertelkunst.
Wasdale Head (2024)
Slenterzucht is een platform voor verhalen, essays en fotografie over plaats, landschap en onderweg zijn.
Verder lezen:
Nieuwe verhalen verschijnen ook via de nieuwsbrief.